GEIT OP DE VOORGROND

 

De stamboom van Aaltje 8 F 210
Onder rationeele fokkerij verstaat men het doelbewust paren van de beste fokdieren, teneinde een zoo goed mogelijke nakomelingenschap te verkrijgen.
Allereerst schenkt men aandacht aan de kwaliteiten van de dieren zelf, waarmede men denkt te fokken. Dus aan type, de gezondheidstoestand, evenredige lichaamsbouw, eventueel gebreken, enz.
In de tweede plaats is het noodig, dat men de afstamming en productie raadplege. Behalve dus aan de beoordeeling van het dier als zodanig, wordt ook veel waarde gehecht aan de fokwaarde van de voorouders, hetgeen voor een belangrijk deel kan blijken uit het stamboek.
Het is dus nodig, dat wij van onze geiten ook zooveel mogelijk gaan registreeren. Wat voor belangrijke gegevens wij daar zooal van kunnen opzoeken, ziet men in de stamboom van Aaltje 8 No. F 210, van de Wed. C. Tuin te Assendelft en eveneens in het schema van de Aaltjes-familie.
Hoewel de stamboom nog veel verder uitgewerkt kan worden, volsta ik met de voorouders te vermelden tot in het derde geslacht.
Aaltje 8 heeft tot vader de met vele eerste prijzen bekroonde bok Goliath H 327. Tot moeder de zeer goede productiegeit Aaltje 3 No. F 992, welke als vierjarige gaf: 996 k.g. melk met 4,44 % vet in 280 dagen.
Dat Aaltje 3 bij haar melkrijkheid ook nog een goed exterieur bezat, getuige haar a.b. voor algemeen voorkomen, waarmede ze in het stamboek staat ingeschreven.
Bij onderlinge paring van beste dieren, als hierboven genoemd, heeft men alle kans, beste kinderen te verwekken.
Dat Aaltje 8 een beste geit zou worden, lag dus in de lijn der verwachtingen. Ook zij werd met a. b. voor algemeen voorkomen ingeschreven.
Jammer, dat Aaltje 8 een kleine tekortkoming bezit in de bovenlijn. Overigens is het een best gebouwde geit, met een ruim achterstel, correct beenwerk en prachtig uier en spenen.
Een lief dier, waar haar eigenaresse met recht trotsch op kan zijn.
Temeer ook, omdat Aaltje 8 haar goede verzorging rijkelijk beloont. Twee maal is ze in de melkcontrole geweest. Haar opbrengst als eenjarige bedroeg 671 k.g. melk met 4,70 % vet in 276 dagen en als tweejarige 904 k.g. melk met 4,08 % vet in 292 dagen.
Naast een flink aantal liters melk dus ook een goed vetgehalte.
Aaltje 8 F 210
Dat deze melkgift niet meer toevallig is, zien wij, als wij haar afstamming weer eens raadplegen. Wij weten immers, dat een individu zijn eigenschappen dankt aan zijn beide ouders, dus zoowel van zijn vader als van zijn moeder.

Nemen wij eerst vaderszijde, dan zien wij, dat de moeder van Goliath, Jantje A 814, produceerde 860 k.g. melk met 4,24 % vet in 320 dagen, en 8336, de grootmoeder langs vaders zijde, 572 k.g. melk met 4,24 % vet in 221 dagen. Beide dus zeer goede productiecijfers, met vooral hoog in het vetgehalte.
Van Goliath kunnen wij dus verwachten, dat deze zoowel een aanleg voor hoog vetgehalte als voor veel melk in zich heeft, en dus kinderen zal verwekken, welke uitblinken, zoowel in melkopbrengst als in percentage vet.

Van moederszijde vinden wij hetzelfde. Aaltje 3 produceerde als vierjarige 996 k.g. melk met 4,44 % vet in 280 dagen.
Haar moeder, dus de grootmoeder van Aaltje 8, gaf als vierjarige 798 k.g. melk met 3,85 % vet in 318 dagen.
Van vaderszijde stamt Aaltje 3 van Hugo R H 306, welke een moeder heeft, Grietje, met 573 k.g. melk met 4,13 % vet in slechts 222 dagen. Dus ook goed.
Aaltje 3 houdt dus dezelfde beloften in als Goliath. Dat het resultaat van een paring van zulke fokdieren onderling, haast steeds goed moet zijn, dat getuige Aaltje 8.

Dat ook haar verdere familieleden tot de beste gebruiksdieren behooren, moge blijken uit het schema, dat wij opgesteld hebben van de vrouwelijke nakomelingen van de oude Aaltje F 863, de stammoeder der Aaltjes-familie van Van der Tuin.
De moeder van Aaltje was een wilde geit, welke was aangekocht op de markt te Purmerend.
Van Aaltje zijn twee dochters ingeschreven, een van Frits H 376, namelijk Aaltje I F 798 en een van Hugo R H 306, de reeds besproken Aaltje 3 F 992, en waarvan Aaltje 8 weer afstamt.
Aaltje I F 798 was een mooie geit, met goed uier, alleen de stand in haar beenen kon iets beter. Niettemin werd ze met a.b. in het stamboek ingeschreven. Van haar zijn geen productiecijfers bekend.
Gedekt door Hugo R H 306 bracht ze twee geitlammeren, namelijk Aaltje II welke onder F 993 in het stamboek werd opgenomen en Aagje F 903, welke eigendom was van J. Kat te Assendelft.
Aaltje II was een beste geit met vij goede stand en mooi uier en spenen.
Aagje F 903 muntte uit in dezelfde onderdeelen doch was iets lichter in de voorhand dan haar zuster.
De melkopbrengst der beide tweelingzusters was goed, zoo produceerde Aaltje II als tweejarige 906,5 k.g. melk met 3,73 % vet in 294 dagen, en Aagje als vierjarige 954 k.g. melk met 4,26 % vet in 294 dagen.

Van Aagje zijn mij geen nakomelingen bekend. Wel van Aaltje II. Uit een paring met Goliath I H 340 ontsproot de tweeling Aaltje 4 F 145 en Aaltje 5 F 146.
Goliath I is een product van de reeds besproken Goliath H 327, en de geit Catrien F 987, welke als tweejarige produceerde 820 k.g. melk met 4,24 % vet in 297 dagen.
De beide ouders van Aaltje 4 en 5 behooren dus tot de goede productiedieren en het is dus niet te verwonderen, dat ook bij hen de melkgift weer in orde is.
De controlecijfers wezen uit, dat Aaltje 4 produceerde als tweejarige 788 k.g. melk met 4,78 % vet in 294 dagen, terwijl Aaltje 5, welke twee maal in controle is geweest, als eenjarige gaf 710 k.g. melk met 4,24 % vet in 293 dagen en als driejarige 1077 k.g. melk met 3,80 % vet in 305 dagen.
Cijfers dus, waarover men weer zeer tevreden kan zijn.
In exterieur was Aaltje 4 iets beter dan haar zuster. Beiden waren het zeer goede geiten, met mooi breed kruis, en ruim, goed aangezette uiers met mooie spenen. Vooral het uier van Aaltje 5 was extra, doch deze geit was niet te sterk in de kooten.

Als laatste in de familie krijgen wij dan nog een dochter van Aaltje 4. Deze, gedekt door haar grootvader Goliath H 327, gaf Aaltje 6, welke door haar tegenwoordige eigenaar, de Heer M. Klein te Westzaan, als Trijntje F 204 in het stamboek is ingeschreven.
Ze is een beste geit met goed beenwerk en mooi uier en spenen.
Daarbij tevens een best productiedier, namelijk als tweejarige 1225 k.g. melk met 3,48 % vet in 300 dagen.
Van haar familie is Trijntje dus de record-melkproducente.

Hoewel er ook nog enkele mannelijke dieren in Noord-Holland zijn of zijn geweest uit de Aaltjes-familie, heb ik deze buiten bespreking gelaten.
Doel was meer te laten zien, hoe bepaalde eigenschappen, namelijk een goede melkproductie, gepaard gaande met goed exterieur, van ouders op kinderen wordt overgedragen.
Om hieruit dan weer te leeren, dat wij bij onze fokkerij, willen wij kans op succes hebben, moeten zorgen, dat wij de beste dieren met elkander paren.
Dus ook vooral bij de bokken zien naar de productiecijfers van hun moeders.
v. O.
Alkmaar, Mei 1938
De Geitenhouder, Juni 1938

   

  
Hugo R H 306 kampioen eenjarige bokken op de Nationale Tentoonstelling in Den Haag 1928
In de rubriek eenjarige bokken was superieur Hugo R van geitenfokvereniging Assendelft uit Noord-Holland, een dier van prima afstamming, waaraan ik geen fouten kon bespeuren en dat in schitterende conditie en hagelwit werd voorgebracht. Hulde aan zijn baas.

Hugo R is uit Zuid-Holland ingevoerd. Zijn stamboom is als volgt:
 
De afstamming van vaderszijde van dezen bok is in mannelijke linie in vijf geslachten bekend en in dezen stamboom werden alle moederdieren gecontroleerd.
Van moederszijde is de afstamming drie geslachten bekend en met uitzondering van Tantje II werden ook hier alle moederdieren weer gecontroleerd.
Deze bok belooft dus veel voor de toekomst.
De Geit en hare Verzorging, Mei 1928
 

 

WITTEENBONTEGEITEN.NL